de stoel zonder achterpoten

Deze satirische prent stond in het boek van Robinson How to Live in a Flat.

De vrijdragende stoel is hét iconisch meubel van het modernisme. De Duitsers spreken van de ‘Freischwinger’ en de Engelsen van de ‘cantilever chair’.

In 1926 schroefde architect Mart Stam voor zijn zwangere vrouw Lotte een stoel in elkaar met 10 stukken gasbuis en 10 elleboogstukken. Hij was demonteerbaar en bedoeld voor de camping. Stukken canvas zorgden voor de zit en de rugleuning. De stoel is niet erg stabiel: door de druk op de stof van de zit zullen de bochtstukken aan de kniën naar elkaar toe komen.

 

 

Op 22 november 1926 werd er in het hotel Marquartstein te Stuttgart een voorbereidende vergadering gehouden voor de Weissenhoftentoonstelling. Mart Stam schetste er op de achterzijde van de huwelijksaankondiging van de schilder Willi Baumeister zijn vrijdragende stoel uit gasbuizen. Verschillende architecten, waaronder Mies van der Rohe, waren begeesterd door het ontwerp. Op de tentoonstelling zelf, in 1927, stelde Stam enkele meubels voor, die door de firma L. & C. Arnold gemaakt waren, waaronder de vrij-dragende stoel. Hij was gemaakt uit stalen buizen met een diameter van 22 mm. Stam had meer oog voor de veiligheid dan voor het verende karakter van de stoel en liet binnenin de buizen massieve ronde profielen aanbrengen. Om het naar elkaar toegaan van de buizen op te vangen, werd er vooraan een rechte buis gelast. Bij de leuning is de buisconstructie naar achteren geplooid.

Mies van der Rohes stoel ‘MR’, op dezelfde tentoonstelling, is verfijnder dan het model van Stam. Mies maakte al zijn meubelen in buizen van 24 mm diameter en veruitwendigde de verende eigenschap door de buizen vooraan te plooien tot een halve cirkel. Daardoor zitten de ‘poten’ vooraan wel in de weg als je wil gaan zitten of opstaan. De verbindingsstaaf die bij de stoel van Stam vooraan in zicht zat, verving Mies door twee bijna onzichtbare gebogen baren onder de zit. Bij Mies’ stoel staat de rugleuning een eindje lager dan bij die van Stam, wat misschien wel esthetischer maar minder comfortabel is. Hij werd oorspronkelijk gemaakt door Jo. Muller en door Thonet.

Marcel Breuer werkte rond dezelfde tijd, en onafhankelijk van Stam, aan een soortgelijk ontwerp van een vrijdragende stoel. Hij liep wat achterstand op omdat hij niet beschikte over buizen met een diameter van 25 mm. Hij had berekend dat deze diameter nodig was om de stoel genoeg sterkte en genoeg vering te geven. Breuers versie van de vrijdragende stoel heeft zowat de voordelen van de twee vorige stoelen: twee verbindings-staven onder de zit, rechte voorpoten, een hellende leuning, en hij is verend.
In 1927 werd Anton Lorenz bedrijfs-leider van de firma Standard-Möbel, die enkele maande ervoor door Marcel Breuer en Kalman Lengyel gesticht was. In het begin van 1928 verleende Breuer in ruil voor royalties de rechten van zijn meubels aan de firma Standard-Möbel. Breuer stond echter geen rechten toe voor de vele ontwerpen, waaronder de B32 waar hij toen aan bezig was. Wegens de verontrustende financiële situatie van de firma konden ze slechts een beperkt aantal stoelen van Breuer maken. De productie van nieuwe modellen werd zelfs niet in overweging genomen.
In juli 1928 bereikte Breuer met de stabielere firma Thonet een overeenkomst om al zijn meubels te fabriceren. In 1929 bracht Thonet zelfs een cataloog uit met meubels uit metalen buizen, die volledig aan de modellen van Breuer gewijd was, onder andere de B33. In de laatste maanden van 1928 en de eerste maanden van 1929 produceerden zowel Thonet als Standard-Möbel meubels van Breuer. Om aan deze onevenwichtige toestand een einde te maken, nam Thonet in april 1929 de firma Standard-Möbel over. Ze dachten dat ze ook de rechten van de meubels van Breuer overgenomen hadden en boden Breuer een nieuw contract aan. Maar hiermee was de zaak niet beslist.

Lorenz dacht dat de productie van vrijdragende stoelen een goudmijn was. Hij stichtte In september 1929 een nieuwe eigen firma, Desta (Deutsche Stahlmöbel). Hij had echter het contract met Breuer gemist. Daarom zocht hij in de tweede instantie tevergeefs contact met Mies van der Rohe, die ook een vrijdragende stoel ontworpen had. Bleef enkel Mart Stam over. Stam vertrok naar Rusland en droeg op 18 juni 1929 de rechten voor zijn Weissenhofstoel aan Lorenz over. De stoel die Desta verkocht was een verbeterd model van de Weissenhofstoel, zonder de ontsierende buis aan de voorzijde en met een ongeveer rechte rugleuning.

In juli 1929 daagde Lorenz de firma Thonet voor de rechtbank over de auteursrechten van de vrijdragende stoel: het model B33 zou gekopiëerd zijn van Stams stoel. De rechtbank zocht naar het vroegste materiëel bewijs van het concept. Dit was de tekening van Mart Stam, die hij op de vergadering voor de Weissenhof had laten zien. Desta won het proces. Alle auteursrechten voor vrijdragende stoelen moesten aan Desta overgedragen worden. Thonet vermelde van toen af ook niet meer Breuer als ontwerper van de B33.
Breuer, die met dit proces eigenlijk niets te maken had, miste hiervoor de royalties van zijn vrijdragende stoelen. Hij hield aan alles een wrange smaak over en stopte met zijn ontwerpen voor meubels in staal. Lorenz voerde nog vele processen tegen andere fabrikanten van de vrijdragende stoel. In 1933 werd zijn firma Desta geliquideerd en de rechten overgedragen aan Thonet.

Veel architecten ontwikkelden hun eigen versie van de vrijdragende stoel, waaronder Gaston Eysselincks TZS 1.