wand-spotlichten

In de jaren 1920 kozen de modernisten resoluut voor rationalisatie bij de wijzigende technische inrichting van de woningen. Elektrisch licht was gezonder, hygiënischer en onderhoudsvriendelijker dan de bestaande oplossingen. Gasverlichting moest men immers tweemaal per week en petroleumlampen dagelijks onderhouden. Ze verbruikten veel zuurstof en konden roet genereren bij slechte verbranding. En zelfs als de burgers gloeilampen gebruikten, hadden ze de neiging om er lampenkappen met textiel rond te hangen voor de gezelligheid. Modernistische architecten, zoals Le Corbusier, reageerden tegen deze stofnesten en de vermindering van het licht door sommige lampen en fittingen naakt te laten. Een andere aanvaardbare en stofdichte oplossing was een armatuur in melkglas, meestal bolvormig. In 1926 introduceerde Hendrik Willem Gispen met de Giso-lampen een nieuwe vorm van verlichting in Nederland. De Giso-lampen waren gemaakt van helder glas, overtrokken met een heel dun laagje opaalglas. Het ‘Gisoglas’ liet meer licht door dan het gangbare melkglas.

De kunstmatige verlichting van fabrieken in het interbellum bestond uit hanglampen met metalen kappen. Omdat Curt Fischer deze verlichting voor de arbeiders in zijn Thüringer Werkzeug und Machinenfabrik IWA Ronneberger & Fischer niet optimaal vond, lanceerde hij ‘lenklampen’, richtbare lichten. Deze sloegen aan en in november 1919 richtte hij Industrie Werk AUMA Ronneberger & Fischer op, voor de productie van Midgard lampen. Het model van 1919, nr. 112, was een schaarlamp, die tegen een muur of kolom bevestigd werd en het voordeel had dat ze in alle standen kon gericht worden.

 


Vanaf 1920 volgde nr. 113, om op een tafel- of bureaublad te klemmen. Vanaf 1922 verscheen het typische asymmetrische kapje. We zien een nr. 113 in de meisterwohnung van Walter Gropius en in kamers van de studenten in het Bauhaus.

Bernard-Albin Gras ontwikkelde vanaf 1921 in Frankrijk armaturen voor in de industrie, de studieburelen en de laboratoria. Het waren staaltjes van vernuftige techniek, zonder vijzen of solderen in elkaar gezet. De stalen lampen hadden bijna allemaal twee knooppunten, een bolgewricht en een rond scharnier in één vlak. De lampen werden al vlug opgepakt door architecten en interieurarchitecten zoals Le Corbusier, Robert Mallet-Stevens en Eileen Gray. Le Corbusier had er meerdere op de tekentafels van zijn bureau in de 35 Rue de Sèvres, dat hij van 1924 tot aan zijn dood 1965 betrok (de foto’s zijn door René Burri in 1959 genomen). Vooral de tafelmodellen met twee stangen kenden veel succes, de nr. 201 die op de rand van het blad kon geschroefd worden en de nr. 205 met een kegelvormige voet.

 

Architect Huib Hoste, die na een instorting van een werf in 1926 met vier slachtoffers zijn leerstoel in La Cambre verloor en met financiële problemen kampte, richtte samen met zijn zoon Guy een meubelzaak op in Antwerpen. Ze verkochten er ook de lampen van Gras. In 1931 maakte Huib Hoste er reclame voor in het tijdschrift Opbouwen, waar hij hoofdredacteur van was.

Hij reageerde in een bijhorend artikel tegen de indirecte verlichting door middel van uitstekende kooflijsten zodat de lampen niet zichtbaar zijn, onder andere omdat het stofnesten zijn. Hij stelde verscheidene versies van de Gras-lampen voor, en meer specifiek de muur- en plafondlampen en deze die met een handschroef aan het werkblad bevestigd werden, nr. 201. Het bureaumeubel dat Hoste rond 1932 ontwierp voor in de winkel van zijn zoon, de fotograaf Hans Hoste, was van een dergelijke lamp voorzien.

Huibs vriend Gaston Eysselinck installeerde minstens vijf Gras-lampen in zijn eigen woning van 1932: twee in zijn architectenbureau, die tegen het plafond bevestigd waren en driemaal nr. 222 in de zitkamer: één tegen de kolom tussen twee ramen, één tegen de muur met de eethoek en één naast het bureautje.


De woning Peeters van Gaston Eysselinck had vanaf de voltooiing vier wand-spotlichten: aan de cosy corner, tegen de kolom in het bureau, en boven de (verdwenen) bureaubladen in de kinderslaapkamer en de logeerkamer. Twee ervan zijn tot ons gekomen: het schaarmodel nr. 112 van Midgard.