cosy corner

Tot het jaar 1.000 kookte en verwarmde men op een open vuur op de vloer in het midden van de belangrijkste kamer, zoals te zien is in de Boarhunt Hall in het Weald and Downland openluchtmuseum. Er was geen schoorsteen en de rook ontsnapte door open ramen en door spleten in de dakbedekking van het zadeldak.

Later werd een insteekkamer op de verdieping ingevoegd zodat de ruimte tot tegen het hellend dak kleiner werd, zoals we zien in de Winkhurst Tudor kitchen in hetzelfde museum. Het open vuur is tegen een buitenmuur geplaatst. Alhoewel heel de woning in houtskelet is opgericht, is dit deel van de muur  in natuursteen gemetseld.

Die ontwikkeling zette door: de ruimte voor de afvoer van de rook bleef over de hele breedte van de kamer maar de travee werd smaller. Later kwam er een schoorsteen, hoewel nog in houtskelet, en uiteindelijk een gemetste schouw, die zowel in de kamer kon staan als in het exterieur uitgewerkt kon worden. De open haard kwam zijdelings niet meer tot tegen de buitenmuren maar kreeg gemetste zijwanden.

Hij werd een kleine kamer in de grote leefruimte, waar naast de pot op het vuur ook stoelen konden staan en de bakermat liggen.

De inglenooks waren open haarden met gemetste zitplaatsen langs één of beide zijkanten. Ze bestonden al in de 17de eeuw in Engeland, zoals te zien is in het Daniel Hummus house.

Geleidelijk verdwenen de open haarden ten voordele van de kachels en later de centrale verwarming. De ingebouwde zitplaatsen bij een verwarmingstoestel bleven. Ze kregen de vorm van cosy corners en waren tegen het einde van 19de eeuw een belangrijk element in de woninginrichting. Een vroeg voorbeeld vinden we in de living room van de eigen woning van Frank Lloyd Wright (1967-1959) die hij op 22-jarige leeftijd bouwde. Alhoewel er toen kleine kacheltjes bestonden, bouwden de architecten liever kleine open haarden in, om het direct contact met het vuur te behouden. De cosy corner is een klein kamertje, dat met gordijnen afscheidbaar is. Wright bouwde en slimmigheidje in: boven de haard, waar je de schouw zou verwachten, springt de muur in en zit daar een spiegel. Het rookkaneel loopt onzichtbaar naar rechts.

De hoogdagen van de cosy corners en de ingebouwde meubelen zijn te vinden bij de architecten die de Arts and Crafts-stijl volgden, zoals bij de Brit Mackay Hugh Baillie Scott (1865-1945). In het huis Blackwell van 1898-1900 is er een cosy corner in de inkomhal, één in de eetkamer en één in de witte zitkamer.

In bijna al zijn woningen Baillie Scott verwerkte één of meerdere cosy corners, zoals in de eetkamer van de woning te Glen Falcon.Over de oceaan werkten de broers Charles (1868-1957) en Henry (1870-1954) Greene op een soortgelijke manier in het Gamble house van 1908.

De uitgever Walter Blackie (1860–1953) liet van 1902 tot 1904 zijn Hill House bouwen, ontworpen door Charles Rennie Mackintosh (1886-1928) en zijn vrouw Margaret Macdonald (1864-1933). In de slaapkamer is een cosy corner. De inrichting is een mooi voorbeeld van de Schotse art nouveau in een meer lichte stijl, zowel van kleur als van gewicht, dan de meer rustieke aanpak van de broers Greene.

Eenzelfde aanpak vinden we bij de Oostenrijkse geometrische art nouveau, zoals in de inkomhal van het Kleines Landhaus op de Weense Kunstschau in 1908, gebouwd en ingericht door de meubelfabriek van de broers Kohn en ontworpen door Josef Hoffmann (1870-1956). We zien hier niet alleen de bekende zetel met verstelbare rug, die Sitzmachine, maar ook een mooie ingebouwde cosy corner.

Nederland was het land waar na WO I de meeste vernieuwingen optraden, met de Amsterdamse School, de Nieuwe Haagse School, de Stijl-beweging en uiteindelijk het Nieuwe Bouwen. Piet Kramer (1881-1961), één van de vertegenwoordigers van de Amsterdamse School, ontwierp in 1920 de bibliotheek voor het bestaand huis in de Weteringschans 141. Onderstaande foto is van circa 1930, wat de metalen opbouw op het bureaumeubel kan verklaren, met dezelfde structuur als het tafeltje dat Breuer in 1925 in het Bauhaus creëerde. Het wandmeubel, samengesteld uit boekenplanken, een ladekast en een lange zetel, is wel van 1920. De afgeronde voorzijden van de boekenplanken zijn nog overblijfselen van de Amsterdamse School, maar verder is dit wandmeubel uiterst modern en functioneel. Men kan de bibliotheek opvatten als een voorloper van het bureau-fumoir van Huib Hoste van vijf jaar later.

Co Brandes (1884-1955) was samen met Jan Wils (1891-1972) een van de belangrijkste architecten van de Nieuwe Haagse School, die invloeden vertoont van de eenvoud van Berlage, de huiselijkheid van de Arts and Crafts en de opkomende de Stijl-beweging, alhoewel ook Frank Lloyd Wright nooit vergeten werd. In de zithoek van de Villa Meyenhage uit 1918 zijn de muren in baksteen. De cosy corner is een zitbank, ingebouwd naast de kachel.

De combinatie van zithoek en haard werd in die periode verlaten.

Bij de interieurs van De Stijl komen we weinig ingebouwde zithoeken voor, door hun standpunt van abstrahering van de ruimte en het uiteentrekken van de onderdelen. We vinden wel eenvoudige ingebouwde zitbanken in het fotoatelier van Henri Berssenbrugge in Den Haag, dat in 1921 opgeleverd werd en waarvoor Jan Wils het interieur en de meubels ontworpen had en Vilmos Huszár (1884-1960) de kleurcompositie.

Cor Alons (1982-1967) werkte na zijn opleiding in de meubelfabriek H. Pander & Zn. In 1923 nam hij ontslag en richtte met Frits Spanjaard (1889–1978) een ontwerpbureau op. In hetzelfde jaar richtte Kees Van Santen met zijn vrouw een interieurzaak en kunsthandel op onder de naam: Toegepaste kunst. Hij bouwde een modelkamer in de zaak, mede ontworpen door Cor Alons. Allen behoorden tot de eerste generatie interieurarchitecten.

Frits Spanjaard richtte in 1925 de woonkamer van een huis te Delft in de stijl van de Nieuwe Haagse School in. De cosy corner had de in die tijd voor voorkomende combinatie van zitbank en bibliotheek. Alle in dit blog aanwezige oorspronkelijke foto’s geven geen beeld van de subtiele kleurcomposities. Voor onderstaande foto kennen we de kleuren: zwart en oranje-bruine terracotta voor het houtwerk, zilvergrijs voor het behang, oranje voor de zijde van de lampenkap en felgroene stof voor de matras.

De binnenhuisarchitecten van de Haagse School waren voor een deel schatplichtig aan Hendrik Wouda (1885-1946), die zelf Frank Lloyd Wright bestudeerd had. Tijdens een reis voor WO I had hij kennis gemaakt met de Duitse en Oostenrijkse art nouveau. Wouda werkte van 1917 tot 1933 bij de meubelfirma H. Pander & Zonen. Hij richtte in 1921 de vooruitstrevende woning Sevensteyn van architect Willem Martinus Dudok (1884-1974) in. In 1925 toonde hij in het Nederlandse paviljoen van de Exposition International des Art Décoratifs et Industriels een bureauruimte, waarvoor hij de ‘diplôme d’honneur’, een onderscheiding onder die van de gouden medaille, ontving. Eén van de bekendste huizen die hij in de jaren 1920 en 1930 in  de regio Den Haag realiseerde, was de Villa De Luifel, opgeleverd in 1924. Hij liet de kasten en de zitbank van de zitkamer inbouwen.

De villa voor de familie Kessler op het landgoed Slingerduin uit 1928-1929 was een samenwerking tussen architect Henri Antoon van Anrooy (1885-1964) en binnenhuisarchitect Wouda. Het interieur is zorgvuldig opgebouwd, tegelijkertijd monumentaal en ingetogen. Wouda werkte met meubelgroeperingen die zowel functioneel als esthetisch gecomponeerd zijn, met een asymmetrische opbouw. Wouda zei over zijn werkwijze: ‘Ik zie geen los meubel als voorwerp “an sich”, doch ik zie het slechts als onderdeel van het interieur, als fragment van de ruimtecollectiviteit.’ Het bureau in de woonkamer staat loodrecht op de muur en vormt een geheel met de kast. De ingebouwde zithoek bevindt zich aan het hoekraam. De materialen en kleuren zijn: meubels in blank en zwart eikenhout, dofgouden wandbespanning en stofferingen in groen, blauw en oranje. Later ontwierp Wouda voor Metz & Co. enkele meubels.

De traditie van ingebouwde zithoeken naast of rond een open haard werd voortgezet in de art déco. Henry Jacques Le Même  (1897-1997) werd bekend met een chalet dat hij in 1926 voor barones Noémie de Rothschild bouwde. Zowel in de living room als in het bureau zijn er cosy corners.

Waar de ingebouwde zetels vroeger in een donkere binnenhoek van de kamer lagen, plaatsten de architecten deze vanaf het eind van de jaren 1920 liever bij de ramen, volgens de opvatting van het modernisme van de helende werking van de zonnestralen. In 1929 breidde architect Han Van Loghem (1881-1940) de villa ‘de Waterlelie’, die hij in 1918 gebouwd had voor M.G. Donker, uit met een tuinkamer. Een groot hoekraam met schuivende delen ziet uit op het Zuider Buiten Spaarne. Eronder zit een hoeksofa tussen twee tabletten.

Dergelijke zitgelegenheden, die niet meer onder de noemer ‘cosy corners’ vallen, kwamen rond de eeuwwisseling 1900 al voor, namelijk bij de erkers, zoals in het Hill House.

Helemaal in modernistische stijl ontwierp André Lurçat  (1894-1970) voor het Maison Hefferlin uit 1931-1932 een U-vormig laag meubel bestaande uit een bibliotheek, een plantenbak en een canapé.

De cosy corner van het huis Peeters van een jaar later bewijst dat Gaston Eysselinck (1907-1953) de huiselijkheid en het comfort belangrijker vond dat dan de uitgepuurde vorm van the international style. De sofa staat in een blauwe nis in een witte binnenmuur.