keukens

Rond 1900 was er een groot verschil tussen de woonomstandigheden van de rijken en de armen. De onderste laag van de bevolking huurde meestal een beluikwoning bestaande uit één of twee kamers. In de leefkeuken, een ruimte van circa 4 m op 4 m, stonden een Leuvense stoof, het bed van de ouders en een tafel met stoelen. Sommige armen hadden zo weinig huisraad dat ze geen kasten hadden en ze de enkele kledingstukken aan haken in de muur hingen. De stoof diende zowel voor de verwarming, het bereiden van maaltijden, het koken van water voor de was en het verhitten van de strijkijzers. Het water haalden ze aan de ene pomp voor alle bewoners van het beluik.

Bij de middenklasse was de woonkeuken de kamer waar alle functies, behalve het slapen, plaatsvonden.  Alles had in deze volgeladen kamer zijn plaats, zoals te zien is op een still uit de film van Hans Richter uit 1930: Die neue Wohnung.

Bij de burgerij was de keuken een aparte kamer, meestal gelegen in de verhoogde kelderverdieping. Het personeel bereidde er de maaltijden en bracht die — dikwijls met een liftje — naar de eetkamer erboven. Het meubilair bestond uit een stoof, een tafel met stoelen, een servieskast, een provisiekast, en in sommige gevallen een ‘ijs’kast, met onderin een blok ijs. Vroeger stond de pompbak in een apart deel van de keuken en soms in een aparte kamer, het pomp- of schotelhuis, omdat er geuren van de riolering konden hangen. De pompbak kreeg zijn plaats in de keuken nadat er luchtdichte sifons op de markt gekomen waren. Door de aansluiting aan het waternet verving een kraantje de indrukwekkende pomp(en).  Eronder kwam een spoeltafel in metaal, die de stenen pompbak verving. Boven de stoof hing een grote kap voor het opvangen van de dampen. Zij was aangesloten op een rookkanaal. Dit alles zien we op een ontwerp van Lucien François (1894-1983) uit 1915.

Het ‘paleis’ voor de bankier Adolphe Stoclet (1871-1949) in Sint-Pieters-Woluwe, naar een ontwerp van Josef Hoffmann (1870-1956) uit 1905, is één van de meesterwerken van de art nouveau. De keuken uit 1911 komt heel modern over door de rijen hoge kasten. De tafel in het midden van de kamer was in die tijd een belangrijk werkblad voor het keukenpersoneel.

In 1911 publiceerde de Amerikaan Frederick Taylor (1856-1915) het boek: Principles of Scientific Management. Het werd het standaardwerk over de rationalisering door standaardisatie en efficiëntiebeheersing. Taylor wilde zijn inzichten niet beperken tot de fabriek maar ‘met gelijk recht en gelijk succes toegepast zien op alle gebieden van menselijke activiteit.’ In 1913 kwam het boek in het Duits uit met als titel: Die Grundsätze wissenschaftlicher Betriebsfürung.

In hetzelfde jaar publiceerde de Amerikaanse Christine Frederick (1883-1970) haar boek The New Housekeeping: Efficiency Studies in Home Management, waarin ze de theorie van Taylor toepaste op het huishouden. In 1921 kwam in Berlijn de Duitse vertaling ervan uit: Die rationelle Haushaltsführung. Voor het eerst verschenen er op plannen looplijnen die het vervolg van de handelingen aanduidden, meestal met een bestaande, slechte oplossing, en een nieuwe, ideale. De looplijnen A staan voor het bereiden van de maaltijd, de lijnen B voor het afruimen en de afwas. Zo bekwam ze een logische plaatsing van alle onderdelen tegen de muren. Als we haar oplossingen met hedendaagse ogen bekijken, zijn deze nog niet ideaal, onder andere door de grote afstand tussen het fornuis en de spoeltafel.

Het bereiden van de maaltijden gebeurde niet meer aan een losstaande tafel, maar op een werkvlak tegen de muur. Op een foto uit de uitgave van 1914 zien we Christine Frederick staand aan een hogere tafel, maar in de uitgave van 1918 zit ze op een hoge kruk aan een werkvlak dat op dezelfde hoogte ligt als het fornuis ernaast. Onder het werkvlak is een kast en erboven, tegen de muur, het  typische hangkastje. Cilindrische potten dienen voor het bewaren van droge voeding. In 1923 ging Christine Frederick in het 516 pagina’s tellende boek Household Engineering: Scientific Management in the Home nog verder op de materie in,  met lijsten en tijdsduren van alle handelingen in de woning, per dag, per week en per maand van het jaar, en met uitgebreide beschrijvingen van huisraad en apparaten.

Vanaf de eeuwwisseling 1900 waren er in de VS verschillende fabrikanten van multifunctionele keukenkasten. De bekendste was de in 1898 oprichtte Hoosier Manufacturing Company, die in 1920 al twee miljoen Hooiser cabinets verkocht had.

De Amerikaanse architecte Helen Binkerd Young (1877-1959) was vooral bekend voor haar lezingen over architectuur en organisatie. In 1916 publiceerde ze Planning the Home Kitchen als les 108 voor The Cornell Reading Cours for the Farm Home. Hierin splitste ze de keukenfuncties in drie: het voedselcentrum met aanrecht en bergingen, het verwarmingscentrum met stoof en eventueel berging van steenkool of hout, en het watercentrum met spoeltafel met afdruiprek en bergingen van servies en potten en pannen. Afbeelding 28 toont een keuken in de voorstad. Binkerd opteert hier voor ter plaatse gebouwde keukenmeubelen en schrijft hierover: ‘Kort gezegd, de apparatuur moet langs de muren staan, waardoor er een vrije centrale ruimte overblijft om te werken. Theoretisch leidt elke verandering in werkhoogte, of het nu om een ​​vloer of een tafel gaat en elke opening tussen twee apparaten, tot verlies van efficiëntie; dat wil zeggen, hoe meer continu de inrichting is, des te handiger zal het werk zijn’ en:  ‘Er is veel te zeggen ten gunste van ingebouwde apparatuur voor zover het gaat om reinheid en uitzicht. In [dit] geval zijn er geen kieren achter of onder het meubilair en dientengevolge is het niet nodig om zware artikelen te verplaatsen bij het poetsen. Een tafel, een fornuis en een kast, allemaal gescheiden en staande op poten of zwenkwielen, maken het bekomen van een schone vloer duidelijk moeilijker dan wanneer de kast en het fornuis rechtstreeks op de vloer werden geplaatst en de tafelruimte vervangen is door werkblad.’ De ingebouwde meubelen zijn — zeer vooruitstrevend voor die periode — tot een U-vorm aaneengesloten. Helen Binkerd was er ook voorstandster van een apart geplaatst fornuis. Het is comfortabeler te werken verder van de hitte, het fornuis is van twee of drie zijden bereikbaar om gemakkelijk aan de potten te kunnen en de zijkanten zijn gemakkelijker te reinigen dan wanneer het in een hoek zou staan.

Het lange werkblad sloot aan bij de spoeltafel. In tegenstelling tot de hedendaagse keukenmeubelen, hield men meestal de ruimte eronder vrij, zodat de vloer bereikbaar bleef. Die ruimte gebruikte men voor het bergen van de vuilbak, van teilen en van grotere potten en pannen. Op afbeelding 30 uit het zelfde boek zien we een dergelijke oplossing. De deurtjes aan de bovenkasten zijn vervangen door rolgordijnen.

Na WO I nam Europa het nieuwe denken over de keuken over. In 1924 publiceerde de architect Bruno Taut (1880-1938) Die neue Wohnung: Die Frau als Schöpferin.  Afbeelding 50 toont de inrichting van een appartement met de looplijnen, waarvoor hij zich inspireerde op de werken van Christine Frederick. De keukenmeubelen zijn ingebouwd en de volledige wand tussen de keuken en de eethoek is ingenomen door een kastenwand met hierin een stuk met aan beide zijden deurtjes voor het doorgeven van borden en eetwaren. Om de geuren tegen te gaan staan er tussen de keuken en de eethoek twee deuren.

In het boek staan ook foto’s van het in 1923 gebouwde ‘Haus am Horn’, horende bij de eerste Bauhaustentoonstelling. Het was ontworpen door Georg Muche (1895-1987), geassisteerd door Hannes Meyer (1889-1954) en Walter March (1889-1969). Bij de uitwerking ervan namen alle ateliers van het Bauhaus deel. Marcel Breuer (1902-1981), leerling in het meubelatelier, was er ook bij betrokken. Voor de eerste maal vertoont de keukeninrichting een vormelijke eenheid en eenvoud. Muche schreef hierover: ‘De keuken moet de werkplaats zijn, het laboratorium van de huisvrouw, waarin elke overtollige ruimte en elke  mogelijk onhandige opstelling van de objecten tot permanente overuren leiden. Het moet een mechanisme worden, een instrument.’

In 1926 publiceerde de Duitse architecte Erna Meyer haar boek: Der neue Haushalt. Ein wegweiser zu wirtschaftlicher Hausführung. Een jaar later was het boek al aan zijn 23ste uitgave en drie jaar later aan zijn 37ste. Ze wist zeer levendig suggesties te doen om het dagelijks werk van huisvrouw te verlichten door dit tot minimale bewegingen te beperken. De Weimarrepubliek was een goede voedingsbodem voor de combinatie van wooncultuur en wetenschap en techniek. 

Erna Meyer assisteerde in 1927 de Nederlandse architect J.J.P. Oud (1890-1963) bij de keukeninrichting van zijn woningen op de Weissenhoftentoonstelling in Stuttgart. Tijdschriften prezen de keuken omdat de functie duidelijk en mooi vormgegeven waren. Ze is ruim en vierkantig van grondplan. In een hoek staat het L-vormig werkblad met spoeltafel. Het grootste deel van de ruimte eronder is open gelaten. In de wand met het venster staat eronder rechts een omkasting van de vuilbak en links de voorraadkast, met ertussen een besteklade. Het gasfornuis is, zoals gebruikelijk in die periode, een apart toestel op poten. Het staat in de hoek, rechts van het aanrecht. In de wand naar de eethoek is een ingebouwde kast voor het servies, met doorgeefluik. Op foto’s zien we een krukje aan het aanrecht bij het raam. Maar Oud voorzag tegen de vierde wand ook een lagere uitklaptafel en uitklapstoel, blijkbaar omdat er nog vraag was om in deze opstelling gerechten voor te bereiden. Niet alleen het koken, maar ook alle elementen voor berging en was kregen hun plaats in de woning, zoals een bezemkast met uitgietbak onder de trap, een wasplaats met liftje en plaats voor de grote wasketel, de centrale verwarming en een grote inbouwkast in de living.

Oud had al in 1925 keukens voorzien in de arbeiderswijk De Kiefhoek, maar ze werden pas in 1928 tot 1930 verwezenlijkt. De opberging was zeer summier, met enkele schabben en een ingemaakte kast. De doorgeefkast tussen de keuken en de eethoek is er wegens bezuinigingen niet gekomen. Het werkvlak in U-vorm, met in het midden de spoelbak, was uitgevoerd in granito en zeer praktisch.

Op de Weissenhoftentoonstelling van 1927, stonden er, in de Beurshal, ook een keuken van Erna Meyer en één van de vroege versies van de ‘Frankfurter Küche’. Na WO I was er in de Duitse steden een groot tekort aan appartementen waarvan de huur betaalbaar was voor de arbeidersklasse. Om de kosten te drukken, kwamen er grootschalige projecten met geprefabriceerde bouwelementen en vereenvoudigde planmatige schikkingen, volgens de eisen van het modernisme. Om toch een goede uitrusting te kunnen bewerkstelligen moesten de architecten besparen op de oppervlakte der kamers. Van 1925 tot 1930 was Ernst May (1886-1970) directeur van de gemeentelijke bouwafdeling van Frankfurt. Hij omringde zich met een krachtige staf van vooruitstrevende architecten en startte het grootschalige huisvestingsprogramma Das Neue Frankfurt op. Hij publiceerde zelfs een tijdschrift met dezelfde naam. Hij kon in vijf jaar tijd 15.000 wooneenheden verwezenlijken.

In 1926 vroeg May aan de Oostenrijkse architecte Margarete Schütte-Lihotzky (1997-2000) het team te vervoegen. Margarete had al in 1921 geschreven: ‘Elke beweging moet genoteerd worden, de tijd hiervoor nodig met de stopwatch gemeten en alle stappen moeten geteld worden. Alles moet men om zo te zeggen op een weegschaal leggen zodat men berekeningen kan maken, zodat men iets waarvoor nu tien bewegingen nodig zijn, in acht zou kunnen doen.’ In eerste instantie onderzocht Margarete de relatie tussen verwarming, koken en eten. Haar eerste voorstel van voor een aparte zitkamer en een eetkamer-keuken werd verworpen wegens te ruim. Het team koos  voor een kleine, aparte, geïnstalleerde en goed uitgeruste keuken. Maragarete nam de Mitropakeuken van de Duitse spoorwegen als voorbeeld, met een oppervlakte van 2,90 m op 1,90 m, waar in 15 uur voor 400 personen maaltijden konden bereid worden.

Ze ontwikkelde het type van inbouwkeuken die bekend werd onder de naam ‘Frankfurter Küche’. De keuken was vrij klein en van de eethoek gescheiden door een brede schuifdeur. Maar ze zat vol technische oplossingen die het leven van de huisvrouw vergemakkelijkten, zoals een uitklapbare strijkplank, een aan de muur bevestigd druiprek, aluminium bakken voor droge voeding, glazen schuifdeurtjes en een verlichtingselement dat zowel in hoogte als over de lengte van de keuken kon verplaatst worden. Men achtte de koelkast te luxueus omdat de mensen nog elke dag naar de winkel gingen. Het geheel had het dubbele voordeel van lagere bouwkosten en minder werk voor de bewoners. Tot 1930 werden er in Frankfurt 10.000 inbouwkeukens verwezenlijkt.

Bruno Taut was van 1924 tot 1931 hoofdarchitect van het vastgoedbedrijf GEHAG en was mede verantwoordelijk voor de bouw van 12.000 woongelegenheden in Berlijn. Zijn bekendste werk is de Grosssiedlung Britz, beter bekend als de Hoefijzerwijk, die hij samen met de stadsarchitect Martin Wagner (1885-1957) uitwerkte. De appartementen kregen de typische GEHAG-keuken.

In België publiceerde Claire-Lucile Henrotin in het Bulletin Ergologique vier artikels over keukens, met in het derde artikel een plan van een rationele keuken, getekend met de obligate looplijnen. Het werkvlak voor de bereiding ligt hier op de meest logische plaats, tussen de fornuis en de spoeltafel.

Louis Herman De Koninck (1896-1984) maakte in 1929 kennis met de Frankfurter Küche op de tweede Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM) in Frankfurt, waar Die Wohnung für das Existenzminimum behandeld werd.

In navolging van de Hooiser cabinets in de VS, waren er in Europa enkele fabrikanten met multifunctionele keukenkasten, zoals in Duitsland de keuken-alkoof van Schuster, in Frankrijk de meubles-casiers van Charles Blanc en in België de kasten van Tout en Orde van de Galerie du Meuble, waarvan hieronder een afbeelding.

De Koninck bracht in het volgende CIAM-congres, dat in 1930 in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten doorging, een prototype voor een keuken uit, dat als C.I.A.M.B. bekend werd. Kenmerkend voor de keukens van De Koninck waren de grote wanden voor bergingen, meestal tussen de keuken en de eethoek, maar soms ook tegen een andere wand. Het grote voordeel was dat de keuken opgebouwd was uit geprefabriceerde elementen uit geschilderde massieve houten platen met een dikte van 15 mm. De deurtjes waren nog in indek opgehangen, waarbij de diktes van de wanden van de kasten in zicht bleven. De Konninck gebruikte een modulatie van 60 cm. Marcel Breuer had al in 1926, bij het Wilensky-appartement, gemoduleerde elementen voor alle kasten in de woning voorgesteld, met een modulatie van 33 cm. Bekender werden de casiers standards van Le Corbusier en Charlotte Perriand, in 1929 voorgesteld in het Salon d’Automne, met een modulatie van 75 cm.

Tegen het einde van 1931 bracht de firma Van de Ven de keuken van De Koninck op de markt onder de naam ‘Cubex’. Ze werden in grote getale in woningen en appartementen geïnstalleerd, zowel voor als na WO II. In de brochures zien we kasten met een breedte en een hoogte van 60 cm, en een diepte van 40 of 60 cm. Om de hoogte van 85 cm voor het werkblad te bereiken, kwamen de kasten te staan op een sokkel van 18 cm en afgedekt met een werkblad van 2 cm. Bij de uitvaardiging van een Europese norm voor de afmetingen van keukenelementen, koos men voor de module van 60 cm. 

Om de vooruitstrevendheid van de oplossingen van De Koninck uit te leggen, kunnen we laten zien dat bij de keuken van de Zwitserse CIAM, deze in de wijk Neubühl in 1931, de elementen zoals de tafel, het fornuis en de spoelbak afzonderlijk uitgewerkt zijn. Het is een andere benadering van het functionalisme.

De Koninck gebruikte uiteraard de Cubex-keukens in de woningen die hij ontwierp, zoals deze voor de tuinarchitect Jean Canneel-Claes (1909-1989) in 1931. Het doorgeefluik naar de eethoek bleef belangrijk, alsmede een uittrekbaar tablet om het werkoppervlak te vergroten. Ook typisch zijn de glazen bakjes voor de droge voeding.

Dergelijke keukens stootten enkel in de opper- en de middenklasse door. Ook de appartementen leenden zich voor een laboratoriumkeuken. Daar ontbraken de kelder en het kolenhok van de landelijke woning — of lagen ver in de kelderruimte — en was koken en verwarmen op gas aangewezen. Ofwel gingen de bewoners dagelijks voedsel kopen, ofwel installeerden ze een ijskast op elektriciteit. Bij de arbeiders zag men de rationele keukens niet, wegens te duur. Daar bleef het concept van de woonkeuken bewaard omdat ze slechts brandstof, meestal kolen, voor één kachel konden betalen.

De firma Bruynzeel was een belangrijke fabrikant van keukenmeubelen in Nederland. In 1938 bracht ze de Hollandkeuken van ontwerper Piet Zwart (1885-1977) uit. De deurtjes waren in opdek waardoor de spleten ertussen kleiner werden. Zowel de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen als veel architecten waren enthousiast. De keuken was ook betaalbaar zodat ze, vooral na WO II, een veel gezien element werd in de Nederlandse woningen. Een ingebouwde ijskast behoorde dan tot de standaarduitrusting.