Een aantal redenen zorgden voor de spectaculaire aangroei van het proletariaat in de 19de eeuw. Er was een demografische groei. Voornamelijk door het beheersen van de epidemieën steeg de levensverwachting van 35 jaar in het begin van de eeuw tot 55 jaar op het einde. Vele boeren, die nog autarkisch een lapje grond bewerkten, konden niet van de landbouw overleven. Een andere reden was de industrialisatie, die er kwam na de invoering van de stoommachine. De ambachtslieden, die nog thuis werkten, konden er niet tegen op.

.

.
Veel kleine boeren, dagloners en thuiswerkers migreerden, eerst naar kleine en later naar grote steden. Het inwonersaantal in Antwerpen nam exponentieel toe van 54.969 in 1816 tot 272.831 in 1890. In 1900 waren slechts 57,7 % van de Antwerpenaren in hun stad geboren. De anderen waren migranten van het platteland of immigranten, voornamelijk uit Nederland. Een groot deel van hen vond geen werk en belandde in armoede. In het midden van de 19de eeuw maakten er de armen een vierde van de bevolking uit.
De onderste laag van de bevolking kwam terecht in een verouderd woonbestand. Burgers, specifiek dezen die verarmd waren door meerdere crisissen, verhuurden hun grote huizen. Ze verhuurden deze ‘kwartierhuizen’ per appartement, per kamer, per kelder en de eerste huurder verhuurde soms verder. Nadien werden de achtertuinen ten gelde gemaakt. De speculanten, meestal kleine zelfstandigen zoals winkeliers en ambachtslui, lieten er met goedkope materialen kleine huisjes op bouwen. Ze haalden een opbrengst van 15 tot 18% per jaar. Zo ontstonden de ‘gangen’ of beluiken, die met een poort op de straat uitkwamen. Het beluik was meestal via een doorgang door het huis bereikbaar. De begane grond van het huis werd dikwijls als herberg verhuurd. In 1860 stond er in het Handelsblad dat er in Antwerpen één herberg was per 80 inwoners.
De beluikhuizen stonden met hun achtergevel tegen de perceelsgrens en konden alleen in de voorgevel licht pakken. Ze gaven uit op een pleintje of op een steegje, dat meestal niet breder was dan 2,5 tot 3 m. De hygiënische toestand was echter lamentabel. Er was er immers geen riolering en maar één latrine, in de grotere meerdere, maar steeds te weinig. In het beste geval was er een pomp. Soms moesten de bewoners buiten hun beluik voor water. In het verslag uit 1904 De beluiken van de stad Gent van het ‘Beschermingskomiteit der Werkmanswoningen van het arrondissement Gent’ staan inplantingstekeningen zonder dat er de locatie van vermeld wordt.

.
Plaat 2 laat 25 woningen zien in een beluik met vijf latrines en twee pompen. Er waren twee typen van beluikhuizen, die elk ongeveer de helft van het woonbestand uitmaakten. De kleinere hadden beneden een woonkeuken van circa 4 op 4 meter, waar ook de ouders sliepen, en onder het zadeldak een ruimte waar de kinderen sliepen. De grotere huizen hadden twee bouwlagen met een slaapkamer op de verdieping. Een studie in Gent onthulde dat bij een kwart van de gezinnen jongens en meisjes van meer dan twaalf jaar in dezelfde kamer sliepen. In 1830 hadden 66% van de armenwoningen in Antwerpen een vloeroppervlakte van minder dan 60m2. Er was sprake van een overbevolking, die tot onhoudbare toestanden leidde. Bij de gangentelling van 1842 in Antwerpen deelden 70% van de gezinnen hun (huur)woning met een andere gezin of zelfs nog meer personen. Bij grotere beluiken werden er in het midden één of meer extra rijen met de huisjes ruggelings tegen elkaar toegevoegd. In 1823 werd in de zuidoostrand van Antwerpen ‘la colonie’ gebouwd. In 1887 ‘woonden’ er meer dan duizend personen in de 90 huizen. Toch was de toestand in de beluiken niet overal zo slecht: in 1899 kwalificeerde het beschermingscomiteit der werkmans-woningen in Gent van de 660 (!) beluiken er 409 ‘goed’, 109 ‘verbeterbaar’ en 142 ‘slecht’.

De inrichting van deze beluikhuizen stelde niet veel voor: een Leuvense stoof, een petroleumlamp, een aantal bedden en een tafel met stoelen. Soms ontbrak de kleerkast en hingen de bewoners hun povere kleding aan haken. Er zijn weinig interieurfoto’s genomen en bewaard.
.

.
De kleine behuizing noopte het ‘poortjesvolk’ om een deel van hun tijd door te brengen in het steegje. Vrouwen deden er hun was, kleine kinderen hingen er rond en bij goed weer waren de drooglijnen behangen met linnen en kledij. Omdat ze in dezelfde penibele situatie verkeerden en zeer dicht bij elkaar woonden was de sociale cohesie groot. Het rapport uit 1845 van de dokters Mareska en Heyman beschreef in Gent ‘de duisternis, de vochtigheid en verpesting’. Sommige beluikhuizen werden gebruikt voor het opstapelen van vodden of beenderen. De materiële van geestelijke ellende van de werkende bevolking bestond uit prostitutie, promiscuïteit, drankmisbruik, gebrekkige voeding, ongezonde en gevaarlijke werkomstandigheden, besmettelijke ziekten, uit werkloosheid, bedelarij, jeugdcriminaliteit en banditisme.
.

.
In de brochure van het ‘congrès général d’hygiène de Bruxelles’ van 1852 staat als goed voorbeeld een plan van een eenkamerwoning van het ‘Algemeen Diaken geselschap der Nederlandse Hervormde Gemeente’ in Groningen. De kamer meet 5 m op 5,5 m en heeft twee ramen, een portaal en twee bedsteden, waartussen een kast. De twaalf woningen hebben acht latrines en twee pompen. Er is geen trap getekend.

.
Veel alleenstaanden huurden een kelder of een zolder in een kwartier- of beluikhuis, waar ze weinig privacy hadden. Er was nog één schakel hiertussen en de landloperij: het logementshuis: een bed of een deel ervan en een pispot werd pispot werden per nacht verhuurd, meestal aan dagloners of seizoensarbeiders. De maaltijden waren in de huurprijs inbegrepen. De bedden stonden zonder afscherming naast elkaar, meestal op de zolder van een groter gebouw.
.
