Press "Enter" to skip to content

gordijnen bij dakterrassen

Mevrouw Claes, vrouw van de tuinarchitect Jean Canneel, zit op een klapstoel te breien op het dakterras van hun woning, die ontworpen is door Louis Herman De Koninck. Haar jongste staat naast haar, met enkel schoentjes aan. De oudere zus zit in een strandstoel met een boek in haar handen. Op de betonnen tafel, die in de borstwering ingeklemd zit, staan een grammofoon en een dienblad met enkele glazen. Op de voorgrond is een betonnen balk te zien met als toestellen een trapladder en ringen. Rondom het dakterras steunt op een hoogte van 2 meter een stalen buis met een diameter van 33 mm op enkele verticale buizen. De buis dient voor het aanbrengen van gordijnen, waarvan er een achter mevrouw Claes te zien is. Het geheel ademt ontspanning, gezelligheid, gezondheid. Jean Canneel had eerst in 1929 aan Le Corbusier gevraagd een losstaande woning te ontwerpen, maar de raming ervan viel te duur uit.

 

Ook de woning van De Koninck voor dokter Ley (1935) had een dakterras met rondomrond gordijnen.

Het dakterras past helemaal in de vernieuwde filosofie van orde, hygiëne en discipline die zowel voor de mens als voor het gebouw van toepassing was. De door sportoefening lenig geworden en door buitenlucht geharde mens leefde in een gemakkelijk te onderhouden woning met veel zonlicht en verse lucht. Na 1900 ontstond en na de WO I zette er een lichaamscultuur door die in Duitsland Körperkultur, in Engeland en de VS physical culture, in Frankrijk culture physique, in Denemarken en Zweden fysisk kultur en in de USSR fiskulturagenoemd werd. 

Alhoewel er vele vormen van bestonden waren de belangrijkste componenten sport, houdingsoefeningen, gebaseerd op de Zweedse gymnastiek, al dan niet op muziek, yoga en dikwijls nudisme. Op de foto zijn oefeningen van Mensendieck te zien. Het eerste Freilichstpark voor nudisten werd in 1903 nabij Hamburg geopend. Om te zwemmen, te turnen of te zonnebaden droegen de mannen en de vrouwen echter meestal een badpak uit één stuk met een lijfje zonder mouwen en een broek met korte pijpjes. De navel mocht niet gezien worden. Deze kledij was voor de vrouwen zeer bevrijdend en emanciperend. Vanaf 1926 zorgde Coco Chanel ervoor dat een getinte huid een teken van gezondheid, welvaart en jeugdige schoonheid werd. Van Lotti Raaf, de Zweedse vriendin van Albert Jeanneret, de broer van Le Corbusier, werd gezegd dat ze het dakterras meer voor zonnebaden dan voor oefeningen gebruikte.

Buitengordijnen, zowel horizontaal als verticaal aangebracht, zullen in het mediterraan klimaat wel vanaf de Egyptische oudheid gebruikt zijn om schaduw te maken. Hoewel de buitengordijnen in het modernisme ook hiervoor konden gebruikt worden, was hun belangrijkste bestaansreden privacy te creëren om in aangepaste kledij op het dakterras te kunnen recreëren.

Reeds in het eerste boek van Le Corbusier Vers une architecture uit 1922, waren er tekeningen van dakterrassen te zien. De eerste duidelijke doorsnede vinden we op pagina 15 van de Almanach d’architecture moderne uit 1925. De tekst erbij luidt: “Le sol est libre sous la maison, le toit est reconquis.” Le Corbusier plaats de daktuin als één van de “Cinq Points de l’Architecture Moderne” in een Duitstalige folder bij de Weissenhofsiedlung uit 1927. De eerste van zijn gebouwen met dakter-rassen zijn die van La Roche en Jeanneret, voltooid in 1925.

 

De foto is van het week-endhuis Ommen uit 1926 van de architecten Brinkman en Van der Vlugt.

 

De drie onderstaande foto’s geven u een beeld van het uitzicht en het gebruik van het dakterras op de meisterwohnung van Walter Gropius (1926). Het dakterras lag op de eerste verdieping, het had en L-vorm en was bereikbaar via twee kamers (de belangrijkste slaapkamers lagen op de begane grond). Een deel ervan was afsluitbaar met doeken. De middelste foto boven komt uit een eigentijdse film. De onderste foto toont Walter en Ilse die vrienden ontvangen. De gordijnen zijn opgespannen en goed vastgezet.

.

.

 

Voor de wijk Dessau-Törten (1926-1928) ontwierp Gropius een gebouw van de verbruikscoöperatie. Het bovenste appartement heeft stangen voor gordijnen.

.

.

In de Weissenhofsiedlung (1927) waren er meerdere woningen met voorzieningen voor buitengordijnen. De woning van Walter Gropius aan de Bruckmannweg 4 heeft ook een terras op de eerste verdieping, dat bereikbaar is via een deur naar de overloop. Het wordt verder begrensd door twee blinde muren en twee wanden met gordijnen. Deze zijn nodig vermits de woningen van de Weissenhof redelijk dicht bij elkaar staan. Op de achtergrond is de Citrohanwoning van Le Corbusier te zien, die ook een dakterras heeft.

.

 
Van architect Adolf Döcker zijn er twee woningen op de Weissenhof: nr. 22 heeft een de garage en een terras met gordijnen aan de woonkamer. 

.

 
De woning nr. 33 van architect Sharoun aldaar heeft een stoffen horizontale zonnewering boven het deel van het terras aan de slaapkamers van de ouders.

.

 
De woning nr. 20 van architect Hans Poelzig heeft een betonnen raamwerk aan het dakterras. Langs binnenzijde zitten buizen voor de ophanging van de gordijnen. Op de achtergrond is de zijgevel van de experimentele woning van Le Corbusier te zien.

.

Woning nr. 25 is van architect Adolf Rading. Op de plannen is het terras aangeduid als ‘Sonnenbad’. Het is bereikbaar via de overloop.

.

 
De woning nr. 12 is van architect Adolf Schneck. Het terras is de voortzetting van de badkamer.

.

 
Het huis voor Dr. Nolden in Mayen uit 1928 is van de toenmalige directeur van het Bauhaus, Hannes Meyer, in samenwerking met Hans Volger en Hans Wittwer. Het terras op de verdieping kan zowel horizontaal als een verticaal schaduw krijgen.

 

 
De openluchttentoonstelling van de Deutsche Werkbund, in Wenen in 1932, had twee woningen met dakterrassen en gordijnen: de dubbelwoonst van architect Otto Niedermoser, met gekleurde stoffen met streepmotief en de minimumwoning van Richard Neutra. Hierbij is een deel van de dakterras voorzien van stangen zodat ook schaduw van horizontale doeken kon bekomen worden.

.

De Siedlung van de Werkbund in Breslau in 1933 toonde twee woningen van architect Adolf Schneck. Nummer 1 had een grote tuin.

 

.

 
Een woning in Berlijn van architect Bruno Arhens heeft aan de drie open zijden van het dakterras donkere gordijnen.

.

 
Tsjechoslowakije was een land dat in geen enkel overzicht van de modernistische architectuur mag ontbreken. Architect Bohuslav Fuchs ontwierp de huishoudschool Vesna in Brno (1930). Boven de turnzaal staan twee rijen stangen, de onderste als leuning en de bovenste ter bevestiging van de gordijnen. Het idioom van de zuivere modernistische architectuur is zeer immaterieel met wanden die in wit karton gemaakt lijken te zijn. De dunne stangen van de leuningen dragen bij tot die abstractie, alsof ze enkel de assen van de coördinaten weergeven.

 

 

 

Architect Jaromir Krejcar bouwde in Praag de vila Richarda Gibiana (1932). Het dakterras aan de voorzijde kan langs drie zijden met gordijnen afgesloten worden. Verder zijn er aan de woningen meerdere pergola’s. 

.

 
Bij het Edificio Josefa López (1931) in Barcelona van José Luis Sert en Sixte Illescas, werden de doeken enkel horizontaal gebruikt om schaduw te creëren.

.

 
De kleuren van de stoffen konden vervagen door de regen en de zonneschijn. Gaston Eysselinck had hiervoor een oplossing in de woning Peeters (1933) in Deurne. Het gordijn werd enkel opengetrokken bij gebruik van het solarium. De rest van de tijd kon het tegen weer en wind beschermd worden in een gemetste kast.

.